سورة Yusuf (Joseph ) - الآية 51

سورة Yusuf (Joseph ) - Dutch Leemhuis - الآية 51 عدد الآيات 111

قَالَ مَا خَطْبُكُنَّ إِذْ رَٰوَدتُّنَّ يُوسُفَ عَن نَّفْسِهِۦ ۚ قُلْنَ حَٰشَ لِلَّهِ مَا عَلِمْنَا عَلَيْهِ مِن سُوٓءٍۢ ۚ قَالَتِ ٱمْرَأَتُ ٱلْعَزِيزِ ٱلْـَٰٔنَ حَصْحَصَ ٱلْحَقُّ أَنَا۠ رَٰوَدتُّهُۥ عَن نَّفْسِهِۦ وَإِنَّهُۥ لَمِنَ ٱلصَّٰدِقِينَ ﴿٥١﴾
Hij (de koning) zei (tot de vrouwen): \"Wat was er met jullie toen jullie probeerden hem te verleiden, tegen zijn wil? Zij zeiden: \"Heilig is Allah, wij weten geen kwaad van hem.\" Zij (de vrouw van Al 'Azîz) zei: \"De waarheid is gebleken, ik probeerde hem tegen zijn wil te verleiden. En voorwaar, bij behoort zeker tot de waarachtigen.\"
مشاركة الموضوع